Antwerps burgemeester Patrick Janssens kwam dit weekend uitgebreid aan bod: in De Standaard bezong hij zijn beroep, en Werner Trio legde hem liefst een uur lang het vuur aan de schenen op radio Klara .
In ‘Antwerpse strijd (1)’ besprak ik op deze weblog reeds een eerste deel van Janssens’ recente boek ‘voor wat, hoort wat’ (b) Nu wil ik even een filosofische kanttekening maken bij de ‘contractidee’ zelf: ‘voor wat, hoort wat’, zoals die door sociaal-democraten wordt uitgewerkt. Ik kijk ook even naar de bijdrage die Frank Vandenbroucke maakt in datzelfde boek.
Contractidee
Burgers sluiten een contract af, en de overheid waakt over deze afspraken. Dat is kort gezegd de wijze waarop sociaaldemocraten vandaag relatie tussen burgers onderling lijkt te willen regelen. Maar is zo’n contracttheorie een volwaardige politieke theorie? Welke visie op individu en gemeenschap gaat er achter schuil? Wel, filosofisch volgen Janssens (en Vandenbroucke) een liberaal model: de overheid reguleert de relatie tussen burgers en de vrije markt. Maar ze doet dat eigenlijk om de werking van de vrije markt (als vrije uitwisselingen tussen individuele, rationele burgers) te optimaliseren.
Zo werkt een algemene systeem van ziekteverzekering beter dan alleen privéverzekeringen, want het verplicht alle spelers op de markt te komen (aldus Stiglitz, een impliciete referentie in Vandenbrouckes tekst). Als de overheid geen algemene ziekteverzekering oplegt, blijven vele mensen gewoon zonder verzekering achter. Hetzelfde geldt voor arbeidsactivering: de overheid helpt iedereen om de weg te vinden naar een baan, zodat iedereen kan genieten van economische groei. De taak van de overheid komt dus overeen met de logica van investering: de overheid voorziet de burgers van deelnemerskaartjes in het spel van de vrije markt. Vandaar dat de nadruk bij deze contractidee ligt op het activeren van wie niet meedoet, eerder dan op wie eventueel de meeste materiële schade berokkent (zoals de speculant, bijvoorbeeld). De veronderstelling is ook dat iedereen, door het contract, toch een beetje kan meegenieten van de economische groei…
Gemeenschap en cultuur?
Als denkkader lost deze contractidee – voor wie haar aanhangt – echter méér op dan een socio-economische vraag. Ze beëindigt meteen de noodzaak om over het leven in gemeenschap, over het hebben van een levensbeschouwing, van een godsdienst of over culturele verschillen te discussiëren. Volgens de contractidee zijn burgers het namelijk eens over wederzijdse rechten en plichten. Verder denken en doen ze wat ze willen. Nu, uiteraard zijn gedachten vrij. En de contractidee klinkt behoorlijk redelijk. Maar volstaat deze visie om sociaal burgerschap te promoten?
Deze blinde vlek lijkt me een groot obstakel op weg naar de uitvoering van het ambitieuze plan: dat alle burgers vreedzaam deelnemen aan de welvaartstaat. Deze kritiek betreft niet alleen een theoretische vraag. Wat te doen in de praktijk met die burgers die vanuit hun geloof of levensbeschouwing niet vatbaar blijken voor de schijnbaar redelijk klinkende ‘verantwoordelijkheidsidee’? Is het niet nodig om actief ideeën over cultuur en filosofie voor te stellen? En om verder aan ideeën- of cultuurkritiek te doen, dus om heel concreet bepaalde voorstellingen te bekijken, te analyseren en openlijk te bespreken?
In het boek heeft Patrick Janssens ook andere slimme mensen aan het woord gelaten, onder wie Frank Vandenbroucke. Ik meen dat het tekort dat ik zopas aanhaalde ook blijkt in zijn bijdrage.
Onderwijs
Wat schrijft Vandenbroucke? Wel, onze voormalige onderwijsminister meent dat onderwijs aan hervorming toe is, want het biedt te weinig gelijke kansen. Dat klopt. Maar wat moet een jongere vandaag meekrijgen, niet alleen om een potentiële werknemer, maar om een kritische burger of een constructieve mens te zijn? Welke idealen over burgerschap, cultuur, geschiedenis of kritisch denken geeft de maatschappij best mee? Deze thema’s worden niet behandeld. Verder spreekt Vandenbroucke over de ‘schoonheid van het sociale’ en wil hij dat de samenleving ‘méér is dan losse individuen’. Mooi. Maar met welk inhoudelijk beleid kom je hiertoe? Hoe creëer je een gevoel van gemeenschap? Wat betekent dat? De lezer verneemt het niet, en dat is jammer, want precies die vragen zijn vandaag cruciaal.
Kortom, ondanks de expliciet morele inzet van Vandenbrouckes betoog – termen als rechtvaardig versus hardvochtig vallen regelmatig – kan je je als lezer moeilijk van de indruk ontdoen dat deze sociaal-democraat vooral andere socio-economische statistieken wil zien. Het is typerend voor de evolutie van de idee dat socio-economische omstandigheden belangrijk zijn, naar de idee dat het hebben van visies op socio-economische thema’s volstaat voor een goed functionerende samenleving. Maar schieten ‘linkse’ mensen hier niet tekort in hun emancipatorische opdracht?
‘Fairness’
Voor Vandenbroucke mag sociaal beleid trouwens wat méér zijn dan een ‘voor wat hoort wat’- ruil. Dat méér formuleert hij bijvoorbeeld als een ‘fairness-code’ voor buitensporige verdieners (bijvoorbeeld op bonussen). Te lang, geeft Vandenbroucke toe, beschouwde sociaaldemocraten exuberante sommen voor bedrijfsleiders als een klein detail. Maar dat was verkeerd, ziet hij in. Spijtig dat Vandenbroucke deze ‘correctie’ een hele vooruitgang vindt, want in de realiteit draait zijn pleidooi voor een code op niets uit. Hoe kan je trouwens zo’n code opleggen als je verder kritiekloos de vrije markt en haar economische machtsrelaties aanvaardt?
Vandenbroucke profileert zich als kritische sociaaldemocraat, maar suggereert geen echte hervorming van de wanverhouding tussen economische en politieke macht die het sociale model vandaag bedreigt. Zulke meer fundamentele kritiek lijkt me nochtans cruciaal, want de vrije-markt ideologie vindt niet minder, maar steeds meer ingang op allerlei domeinen: steeds meer sectoren lijken gericht op het maximaliseren van winst en niet zozeer op het kwaliteitsvol verlenen van diensten. Zo’n evolutie omkeren vraagt méér kritisch denkwerk dan Vandenbrouckes ingrepen.
Groene toekomst?
Een slotbedenking. Het boek stelt dat het draagvlak voor solidariteit vermindert, en dat is inderdaad een groot probleem. Mijns inziens heeft dit deels te maken met het psychologische effect van een zware belasting op arbeid. Wie werkt en zich inspant, betaalt de rekeningen voor wie niet werkt. Een mogelijke denkpiste, die in dit boek helaas door geen enkele auteur wordt aangehaald, is een hernieuwde, groene fiscaliteit, die toelaat de belasting op arbeid te verminderen. Tenslotte betekent globalisering niet alleen een uitdaging op vlak van migratie, maar evengoed op het vlak van ecologie. Een hernieuwde, groene fiscaliteit kan dus goed zijn voor het milieu én goed voor de sociale cohesie. Dit zijn geen verre dromen: Nederland en Denemarken, bijvoorbeeld, hebben geleidelijk een dergelijke hervorming van hun belastingsysteem doorgevoerd. Helaas blijft (ook) op dit vlak niet zozeer Antwerpen, maar heel België ‘immobile à grands pas’.
Het boek: Janssens, P. (2011). Voor wat hoort wat. Naar een nieuw sociaal contract. Antwerpen: De Bezige Bij. Met bijdragen van Bea Cantillon en Frank Vandenbroucke.
@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels – mod






Dat Patrick Jansen en Frank Vandenbroucke een boek schrijven “Naar een nieuw sociaal contact” kan geen toeval zijn .
Beiden hebben zeker een toekomstvisie , en ik zal dit boek met belangstelling lezen.Interessant is dat zij beiden vanuit een liberaal filosofisch model de relaties tussen burgers op sociaaldemocratische manier willen stroomlijnen.
Een groot liberaal zei ooit, de 21 eeuw zal sociaal liberaal zijn of niet zijn. Sprak deze liberaal over Antwerpen, over Europa , of voor de ganse wereld.De toekomst zal raad brengen.
De wereld evolueert zeer snel, liberale en socialistische filosofische overwegingen evolueren niet met dezelfde snelheden.bijsturingen zijn altijd noodzakelijk. Wij leven nu volop in een periode van bijsturing in Antwerpen ,in Europa ,en in onze grote wereld.Wij evolueren vooral naar een periode waar veel flexibiliteit , veel creativiteit , en veel nuchterheid zal gevraagd worden aan de burgers en de beleidsvoerders .De practijk heeft dan uitgewezen dat het op zulke momenten zeer moeilijk is om verschillende filosofische stromingen naast elkaar te laten gedijen. Hoe overeenstemming te bereiken bijvoorbeeld over het begrip solidariteit in al zijn facetten.
Het boek van Jansen /Vandenbroucke zal ik zeker lezen, en eventueel herlezen na één jaar. Hopelijk leest het dan nog fris , en weten we of onze sociaal democratische staat zijn weg vindt in de echte wereld van morgen.
Dit boek kan ook een aanrader worden voor Alexander Decroo en Bruno Tobback
“sociaal burgerschap promoten?”, “de emancipatorische opdracht van ‘linkse’ mensen?”, “Welke idealen … geeft de maatschappij mee?”
Ik hoef geen reclame, geen emancipatie te ondergaan of idealen opgelegd te krijgen, dank u. Gewoon ondogmatisch kijken wat werkt en niet werkt, en dan komen we er wel.
Een ecologische invalshoek zal finaal leren redeneren en werken op een duurzame wijze. Vandaag worden mensen aangespoord tot langer werken terwijl er zou moeten gesproken worden over “anders” werken -zinloze verplaatsingen vermijden en werken in het belang van een duurzame ontwikkeling. Dat de solidariteit verdwijnt moet ook gerelativeerd worden want de zorgsector is ook een groot economisch winstbekken, dat wordt vaak vergeten: al deze artsen, farmaceutische onderzoekers en verplegers hebben ook een baan en finaal vermindert de sociale zekerheid ook de sociale onrust die uitbreekt in sociaal achtergestelde delen, vaak ook weer met ecologische roofbouw tot gevolg.
Een buurt waar het velig is om te wonen en een buurt waar kinderen relatief veilig kunnen opgroeien is altijd een buurt waar een sterk solidariteitsgevoel heerst of een sterk bewustzijn van het algemeen belang.
Ik denk dan ook dat ecologie en solidariteit en pragmatisme op de lange termijn hand in hand gaan -in een oorlogsgebied kun je geen bedrijf laten draaien; je kunt er ook geen ecosystemen zich laten ontwikkelen.
De NVA speelt iets te makkelijk de kaart van een meer competetief beleid als zou dat altijd tot wijze beslissingen leiden; denken wij maar aan de opwarming van de aarde en aan de toename van fijn stof; ook de levenskwaliteit gaat voor sommigen zienderogen achteruit; er zijn steeds meer psychische aandoeningen er is algemeen bij kinderen reeds een grote stress-factor.
Finaal draait alles om solidariteit in de zin van interesse voor mekaar, dat zou ook de basis van werk moeten zijn, interesse voor mekaar, maar we zien dat de hoge prestatie-eisen dat doel miskenne; vroeger betaalden we iets meer bij de plaatselijke kruidenier maar we kochten voedsel dat kwalitatief gekeurd werd , er was ook meer sociale cohesie want er werd gesproken over themata die leefden, vandaag hollen we opgejaagd de colruyt door om even opgejaagd thuis te belanden; we zien het ook aan de wijze waarop mensen op vakantie gaan: geestesloos en inpiratieloos.
Er is enerzijds het geloof en de overtuiging dat we op tal van gebieden zijn vooruitgegaan, maar we moeten even sterk ook terugkeren, opnieuw de alteriteit ontdeken, het massaddenken overwinnen …. de mensheid zal deze noodzakelijke ecologische componenent meenemen of eenvoudigweg ten onder gaan.
Het spreekt dan ook vanzelf dat er overleg tussen de grootmachten zal nodig zijn om globaal meer samen te werken en globaal te werken aan een duurzame wereld; er is in die zin veel werk nodig om de verkeerde daden (arbeid) uit het verleden pogen om te buigen.
Ik vind deze reactie best interessant, al had het ook goed geweest als mevrouw Beeckman naar Francis Fukuyama had verwezen en dan vooral diens kritiek op het sociaal contract. De verdienste van Rousseau was dat hij het mogelijk maakte een nieuw denken over menselijke verhoudingen, inclusief over de verhouding tussen overheid en burgers/burgersamenleving te ontwikkelen. Maar Francis Fukuyama geeft aan dat evolutionair gezien – en ik die dacht dat sinds 2009 iedereen plots de evolutiesociologie had omhelst – de mens nooit als een lonely wolf door de woestijnen rondstruinde, maar integendeel altijd in groep leefde en geleidelijk evolueerden kleine groepen in de landbouwsamenleving naar grotere gemeenschappen, waarin het individu in grotere massa’s terechtkwam, is de locale binding en familale binding precies in samenlevingen waar het contract denken prominent aan ten grondslag lag, net opgeheven. Het zou dus nuttig zijn te onderzoeken of de politiek niet op meer gebaseerd zou zijn dan alleen maar een contract. Anders dan Fukuyama denk ik dat de samenleving aan cohesie wint als burgers en politici zich om het algemeen belang durven te bekommeren en dat men de discussie voert over de zaak, bijvoorbeeld de kwaliteit van het onderwijs, niet om elkaar in de voet te schieten. Kortom, hebben we het niet gehad met al te eenvoudige en simplistische benaderingen van mens, samenleving en politiek?